Resultaten Waterkwaliteit Geborgd

Deel dit bericht

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin

Ondanks droogte voldoet 68% van de percelen aan de N-bodemoverschotsnorm.

De kennisgroep Waterkwaliteit Geborgd ontwikkelt werkwijzen gericht op het verbeteren van de waterkwaliteit. Daarnaast is in 2020 gestart met het ontwikkelen van een monitoringssystematiek, die kan worden ingezet om de kwaliteit van de bedrijfsvoering te beoordelen. Deze bedrijfsvoering is bepalend voor de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit. Dit monitoringssysteem stelt boeren in staat om aan de hand van een set kritische prestatie-indicatoren (kpi’s) de omgevingsimpact van hun bedrijf te meten en de bedrijfsvoering daarop af te stemmen.

Welke kpi’s worden meegenomen in dit monitoringssysteem?

Het gaat hierbij om bemesting (drijfmest, vaste mest en kunstmest) van gras en mais, opbrengst van gras (weiden, maaien en stalvoeren) en mais, grondsoort en grondwatertrap. Daarnaast wordt aan het begin van het groeiseizoen een N30 grondmonster uitgevoerd en aan het eind een N90 grondmonster. Op die manier ontstaat er per perceel een totaalbeeld. Hierdoor kan een veehouder zien hoe zijn percelen presteren.

Wat zijn de belangrijkste conclusies van het afgelopen jaar?

  • Op 68% van de percelen is de N-bodemoverschot-norm niet overschreden. Op de percelen waar de norm wel is overschreden heeft o.a. de droogte een grote invloed gehad. Mineralen die zijn toegediend zijn onvoldoende opgenomen.
  • Op de percelen waar de koeien geweid worden, wordt onvoldoende rekening gehouden met de weidemest. Hierdoor ontstaat in veel gevallen een overbemesting en dus een hoog N-bodemoverschot. Deze mest kan beter gebruikt worden voor de maaipercelen. Hierdoor kan uiteindelijk bespaard worden op kunstmest.
  • Het weiden kan ook effectiever. Hierdoor stijgt de opname van RE via weidegras. Met name in het voorjaar en het najaar is het mogelijk om 20 – 30% meer opname te realiseren.
  • In het voorjaar wordt nog te weinig drijfmest uitgereden. Uit de cijfers blijkt dat ruim 30% van de stikstof via drijfmest in de zomermaanden wordt uitgereden. De benutting van de traag vrijkomende organische N is daardoor minder met een grotere kans op uitspoeling.
  • De afstemming tussen bemesting en gewasopbrengsten kan nog verder worden geoptimaliseerd. Op de meeste bedrijven wordt een inschatting gemaakt van de hoeveelheid gras die wordt geoogst. In de praktijk blijken die inschattingen vaak niet te kloppen. Door te gaan wegen kan er nauwkeuriger worden gewerkt.
  • Alle percelen samen vormen de ‘veestapel’ van je grond. Het ene perceel presteert beter dan de andere. Door de goede percelen te belonen voor de extra opbrengst, worden alle percelen optimaal benut.
  • De opbrengst van de mais is goed te noemen (mits beregend). Hierdoor is het overschot laag. Mais telen in een droog jaar lijkt daardoor goed uit te pakken.
  • Wel duidelijk is de impact van de droogte op de resultaten. Beschikbaar bodemvocht en/of neerslagmetingen moeten wellicht onderdeel worden van de monitoringssystematiek en van de optimalisatie op uitspoelingsgevoelige percelen.

Wat verdient het komende jaar nog meer aandacht?

Het is belangrijk om tijdens het groeiseizoen bij te houden hoeveel N er is bemest en hoeveel N er is geoogst. Hierbij ligt het kantelpunt rond de 2e snede. Door voorafgaand aan de derde bemestingsronde in beeld te hebben wat er aan N nog aanwezig is (bemesting minus onttrekking), kan worden bijgestuurd en voor elk perceel de juiste strategie gekozen worden.

Rob Huinink
Begeleider Kennisgroep Waterkwaliteit Geborgd