De BES-systematiek in drie stappen

In het kader van de ontwikkeling van Kringlooplandbouw in de Achterhoek kunnen 20 VKA melkveebedrijven in 2020 met de BedrijfsEigen Stikstofnorm (BES) werken. Maar hoe werkt deze BES-systematiek en wat zijn de verschillen op bedrijfsniveau? In deze praktijkflits wordt de systematiek toegelicht in drie stappen.

1) Fosfaatevenwichtsbemesting (BEP)
De basis van de BES-systematiek is dat er wordt gestreeft naar fosfaatevenwichtsbemesting met dierlijke mest. De hoeveelheid dierlijke mest per hectare, waarbij fosfaatevenwichtsbemesting wordt gerealiseerd is bedrijfsspecifiek en wordt berekend met de KringloopWijzer. De gerealiseerde gewasopbrengsten en het fosforgehalten in de geteelde gewassen bepalen de fosfaatonttrekking op bedrijfsniveau. Bij fosfaatevenwichtsbemesting is de onttrekking gelijk aan de fosfaatgebruiksnorm. Net als in het generieke beleid wordt er ook rekening gehouden met de fosfaattoestanden van de grond. Is de fosfaattoestand van de grond hoog, wat relatief veel voorkomt in de Achterhoek, dan wordt de fosfaatgebruiksnorm naar beneden bijgesteld. Is de fosfaattoestand laag dan is het omgekeerde het geval. Deze bedrijfsspecifieke fosfaatgebruiksnorm waarin de fosfaattoestand van de grond is gecorrigeerd is de BEP. Bij de 20 VKA bedrijven is dit gemiddeld 84 kg/ha.

2) Stikstof/fosfaatverhouding (N/P) in mest
Om de BES te kunnen berekenen is naast de BEP ook de stikstof/fosfaat-verhouding in de aanwezige dierlijke mest nodig. Deze kan worden berekend aan de hand van de excretie van de stikstof en fosfaat van de veestapel uit de KringloopWijzer. Door de diversiteit van de rantsoenen en de verschillen in stikstof- en fosfaatefficiëntie op melkveebedrijven is dit getal ook bedrijfsspecifiek. BEP * N/P-mest = de BedrijfsEigen Stikstofnorm uit dierlijke mest (BES). De 20 geselecteerde bedrijven in de BES-VKA-pilot hebben allemaal een hogere BES dan het derogatieniveau van 230 of 250 kg stikstof. Er wordt dus meer stikstof uit dierlijke mest aangewend, die bedrijfsspecifiek wordt gecorrigeerd op de kunstmeststikstof. De gemiddelde N/P verhouding in de mest is 3,46.

3) Bedrijfsspecifieke stikstof(N)-benutting, gewasopbrengst en bodemoverschot
De laatste stap in de BES-systematiek is de berekening van de generieke kunstmeststikstofnorm. Het Nederlands mestbeleid stuurt op een goede waterkwaliteit. Om dit te bewerkstelligen moet het stikstofbodemoverschot onder een vastgesteld niveau blijven. Dit niveau is grondsoort en grondtype afhankelijk. Zo is het toelaatbaar N-bodemoverschot op klei hoger als op zand. Naast het toelaatbaar N-bodemoverschot is ook de N-benutting van de bodem en de gewasopbrengst bepalend voor de correctie op de kunstmeststikstof. Wanneer de gewasopbrengsten en de stikstofbenutting hoog zijn, kan in totaal meer stikstof worden gegeven, dan wanneer deze getallen laag zijn. Bedrijven die op hun grond een hoge fosfaatonttrekking combineren met een hoge N-onttreking krijgen meer dierlijke mest ruimte die niet volledig hoeft te worden gecompenseerd met kunstmeststikstof.

 

Kortom de gewijzigde stikstofnormen in de BES t.o.v. de generieke normen wordt sterk bepaald door het management en de omstandigheden op de bedrijven. Dit is duidelijk zichtbaar in de grafiek, waarin weergegeven de veranderingen t.o.v. de generieke normen van de 20 BES-VKA bedrijven.

Door: Jaap Gielen  en  Gerjan Hilhorst