De BedrijfsWaterWijzer helpt verliezen van stikstof en fosfaat te beperken

//De BedrijfsWaterWijzer helpt verliezen van stikstof en fosfaat te beperken

De BedrijfsWaterWijzer helpt verliezen van stikstof en fosfaat te beperken

Afgelopen bijeenkomst van de Kennisgroep Waterkwaliteit stond de BedrijfsWaterWijzer (BWW) centraal. Wat is de BWW? Deze tool brengt het management op een melkveebedrijf in beeld, in combinatie met de uitspoeling en afspoeling van stikstof en fosfaat. Door te sturen in het management van erf en percelen kunnen verliezen van stikstof en fosfaat worden teruggedrongen. Dit heeft financiële voordelen voor de boer en is beter voor het milieu.

De BWW analyseert hoe het erf en de bodem ‘scoren’ qua risico van uitspoeling en afspoeling van stikstof en fosfaat. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen conditie en management. De conditie heeft te maken met de bodemsoort en –structuur, wat moeilijk beïnvloedbaar is. Het management staat voor de invloed die de ondernemer heeft. Die invloed is in veel gevallen duidelijk aanwezig en gemakkelijker aan te passen. Door bewuste keuzes te maken kunnen risico’s tot een minimum worden beperkt. Hierdoor is er minder uitspoeling en afspoeling van stikstof en fosfaat, wat goed is voor de portemonnee van de ondernemer en voor het milieu.

Percelen en erf
De basis voor de BWW wordt gevormd door grondkaarten en bijbehorende sloten. Die worden ingelezen en gekoppeld aan elk individueel bedrijf. Ook worden de gegevens van de Kringloopwijzer ingelezen. De risico’s worden ingeschat op basis van globale gegevens, maar er kan ook ingezoomd worden op percelen en zelfs op plekken. De BWW bestaat uit 7 modules: 1. Erf; 2. Droogte; 3. Wateroverlast; 4. Uitspoeling; 5. Afspoeling; 6. Drinkwater; 7. Slootbeheer. In elke module en bij ieder perceel wordt gevraagd naar bedrijfsspecifieke informatie. Zo wordt er in de module erf gevraagd naar de opvang van perssappen bij de ruwvoeropslag, vruchtwisseling op percelen en de mate van vanggewas bij maisteelt. Bij de percelen wordt ook gevraagd naar specifieke plekken met een hogere of lagere opbrengst. Tevens wordt naar bemesting gekeken. Dit alles wordt per module samengevat in een risicoscore.

Erf inrichten
De Kennisgroep heeft vooral gekeken naar de bodem en het erf. Een schoon erf en schone kuilplaten zorgen er al voor dat regenwater niet in aanraking kan komen met voerresten. Dit voorkomt dat het regenwater nutriënten meeneemt naar het oppervlaktewater. Het oppervlaktewater blijft dus schoon. Door de perssappen van de kuilplaten en de mestplaat op te vangen, voorkom je ook dat deze wegstromen. Bij oudere kuilplaten is dit echter lastig te realiseren.

Perceel-specifiek bemesten

Op zowel grasland als maisland werden twee bodemprofielen gegraven; één op een perceel met een goede opbrengst en één op een perceel met een mindere opbrengst. In totaal vier profielen. Wat opviel was dat bij een lagere gewasopbrengst de bodemstructuur duidelijk minder goed bleek. Dat is zichtbaar aan de mate van beworteling, aan het ontbreken van bodemleven en een compactere  zode (minder zuurstof). Bij grasland viel dit overigens meer op dan bij bouwland. Dat kan te maken hebben met de grondbewerking, want bij maisland wordt elk voorjaar de bouwvoor bewerkt. Dit geeft een wat lossere bodem en heeft dus invloed op de benutting van stikstof en fosfaat.

Twee dingen kunnen hieruit worden geconcludeerd. Het eerste is dat het voorkomen van structuurschade heel belangrijk is. Meer goede grond levert meer productiecapaciteit op. De tweede conclusie is dat het geen zin heeft om overal dezelfde hoeveelheid mest op te brengen. Kijk goed naar de percelen. Zelfs binnen de percelen is het maken van onderscheid (waar mogelijk) aan te bevelen. Dit geeft als voordeel dat op elke hectare de gewenste hoeveelheid mest komt. Daarnaast hou je op die manier meer mest over op de hectares die meer productie leveren.

2018-12-05T17:29:48+00:00